De canoccia is een ruige jongen. Hij heeft een scherp, stekelig pantser en twee gemene prikvingers die hij niet schroomt te gebruiken. Ik kocht een kilo van die rotzakken op de markt bij de Rialtobrug, gooide de plastic tas over mijn schouder en ging op weg naar huis om lunch te maken voor mijn vrouw. Het was warm in Venetië. Ik floot een stukje Vivaldi en slalomde tussen de toeristen door terwijl de ijsschilfers die de visboer bij mijn beestjes gedaan had langzaam smolten. Eén voor één werden de canocce wakker; het begon te ritselen op mijn rug en alhoewel ik dat in eerste instantie gezellig vond, had ik kort daarna de eerste opdonder te pakken. Bij thuiskomst hield ik een zak vol ziedende kung fu-garnalen voor me uit. Overal kwamen de scherpe spiezen door het plastic. Mijn vrouw, die voor de deur zat, keek op uit haar boek en zei: ‘Ga je het weer eens proberen, lief?’ Zij had makkelijk praten, want zij blijft altijd mijlen uit de buurt als er schaaldieren moeten worden omgebracht, om later weer op te duiken met haar slabbetje en haar kreeftentang.

Mijn vriend Andrea vertelde me ooit hoe ze in Triëst canocce klaarmaken: ‘Klem het levende beest tussen je vingers en knip al zijn uitsteeksels af. Maak één kant van het pantser open en knip het lijf in drie stukken. Kook de stukken kort in visbouillon en je kunt het vlees zo uit de schaal happen.’ Ik vond dat nogal ruw klinken en experimenteerde de afgelopen jaren met andere manieren om ze klaar te maken. Mijn pogingen waren niet heel succesvol; canocce hebben de eigenschap bij een verkeerde bereiding leeg te lopen, waardoor je een flieberig en waterig stukje vlees overhoudt. De exemplaren die ik in restaurantjes in de lagune at, zaten altijd vol en waren heerlijk van smaak. Ik durf het te zeggen: nog lekkerder dan Oosterscheldekreeft.

Dit keer moest het dus gebeuren, en deze fuckers hadden het ernaar gemaakt: bij het openen van de plasticzak prikten ze me tot twee keer toe in mijn vingers. Het ‘snoeien’ van levende zeebidsprinkhanen herinnerde me aan een heel belangrijk feit, dat in onze geplastificeerde en gevacumeerde wereld maar al te makkelijk over het hoofd gezien wordt: alles wat je eet moet eerst dood, en alles wat dood moet wil dat heel erg niet. Het sterkte me in mijn nieuwe credo: Geniet louter die beeschten waarvan de smaeck het waerd is. En, Jeez, wat waren ze het waard, Bruce, Jet en Kwok-hon.