Oesters waren het eerste wat ik leerde eten waarvoor ik als kind gewaarschuwd werd. Ze bleken niet zo vies als mijn moeder voorspeld had, en bovendien bezorgden ze me een gevoel van overwinning. Hier was iets wat mijn ouders niet lustten, maar ik wél. Het eten van oesters versterkte mijn identiteit: ik had iets gevonden waarmee ik me van de generatie die me voorging kon onderscheiden. Ik voelde me, jong als ik was, opeens meer man.

In de periode daarna stortte ik me op zeeëgel, pens, lever, niertjes, kalfshersenen, tong en testikels. Als ik uit eten ging koos ik het gerecht dat me het viest leek, in de hoop weer iets te kunnen toevoegen aan de lijst van dingen die Gilles lust. Nu, twintig jaar later, heb ik alleen nog moeite met andouillette (vies!) en kippentenen.

In onze seculiere tijd is een goede coming of age-ceremonie moeilijk te vinden, en vanwege mijn achtergrond had ik ook al geen recht op een bar mitzvah. Dat gat ving ik op met het eten van vieze dingen, maar pas dit jaar op mijn bruiloft zette ik de kroon op mijn manwording. Na het hoofdgerecht bracht Wally, de chef van Toscanini, me een schapenkop met salsa verde. De lobbige hersenen moest ik uit de schedel scheppen en daarna was het de bedoeling dat ik de tong recht uit de bek at. Ik pakte mes en vork en ging, tot afgrijzen van mijn ouders, aan de slag.

Misschien komt er nog een dag dat ik met tranen in mijn ogen toekijk hoe mijn zoon zijn andouillette eet. Dan zal ik een arm om mijn vrouw slaan en in haar oor fluisteren: ‘Kijk, lief, onze jongen is een man geworden.’