Sinds vorig jaar hebben we een bank. Het nut van banken ontging mij altijd; als een tafel was om aan te zitten en een bed om in te liggen, waarvoor had je dan een bank nodig? Mijn vrouw drong aan en won: er kwam een gigantische donkerbruine hoekbank met een overdaad aan kussens. Toen het gevaarte in de woonkamer stond moest ik slikken: samen met de platte tv, die ik ook niet gewild had, maakte hij de ruimte onherkenbaar. Ik vreesde huiselijkheid, burgerlijkheid en het verlies van mijn individualiteit.
Bij thuiskomst stuiterde mijn vrouw handenwrijvend de trap op. ‘En’, zei ze, ‘hoe zit hij?’ Ik zei dat ik het niet wist, en met een hinkstapsprong lag ze in de kussens. Ze schurkte tot alles op de juiste plek zat, liet haar hoofd achterover zakken en viel in slaap. Voorzichtig kwam ik dichterbij. Ik keek om me heen of niemand het zag en ging zitten. De bank was zeker comfortabel. Het gesnurk van mijn vrouw trok de katten aan, die als haaien om het nieuwe meubel cirkelden. De cirkels werden steeds kleiner, en weldra vulde de kamer zich met geronk en gespin. Ook mijn ogen vielen dicht.
Inmiddels ben ik gewend aan de bank; er zijn maar weinig avonden dat ik er niet op zit. Gisterenavond, toen ik naar de woonkamer liep om mijn vrouw te zeggen dat het eten klaar was, vond ik haar slapend op de bank met onze hond. Ik zei haar naam en wachtte tot de blauwe kijkers opengingen. Ze rekte zich uit, glipte onder de hond vandaan en zei: ‘Lekker hè, zo huiselijk?’ Er waren geen alarmbellen. Ik aaide over haar bolletje en zei: ‘Ja, huiselijk hoor. Kom je eten?’
