Vanavond komt de buurvrouw eten. Ik heb net boodschappen gedaan en nu liggen er lamsnieren, een varkensribstuk, doppers, venkel, Pachinotomaatjes en Reine Claudes op het aanrecht. Een inspectie van de vriezer leverde een zak bospaddestoelen (zie: De Stille Jacht), een semifreddo en wat zelfgebakken brood op. Tijd om een glas wijn in te schenken en een column te tikken, want inspiratie voor het koken komt meestal als je met andere dingen bezig bent.
De buurvrouw is eigenlijk geen echte buurvrouw: ze woont bij ons om de hoek. Toen ik haar leerde kennen was ze aan het herstellen van een burn-out en dat betekende, naast het feit dat ze elke dag vrij had, dat ze geen dingen kon doen die concentratie vergden. Deze eigenschappen maakten haar bij uitstek geschikt voor meegaan naar de markt en terraszitten. De muur waar ze tegenop gelopen was bleek haar gevoel voor humor intact te hebben gelaten; de buurvrouw is grappig, en je kunt dingen tegen haar zeggen als: Wat voor piemel denk je dat jij zou hebben als je een jongen was?
Ik geloof niet dat een goede huisvrouw het helemaal alleen kan. Een betrouwbare vriendin in de buurt is van levensbelang als je het wilt redden in dit slopende métier. De buurvrouw was er voor me toen ik erg aan het idee van getrouwde man-zijn moest wennen, en ze hielp mijn vrouw toen die pre-trouwen in een lipstickkleurcrisis terechtkwam. We hebben elkaars sleutels, zijn niet bang die te gebruiken en kennen elkaars huisdieren van naam. Op mijn huwelijk droeg ze (geheel tegen haar gewoonte) een jurk en ik weet zeker dat ik voor haar een rode bandplooibroek zou dragen, mocht de mode nog ooit zo’n wrede kant op gaan.
Om al deze redenen, maar vooral omdat het lekker is: bruschetta met lamsnier, tomaatjes en munt; conchiglie met bospaddestoelen, en varkensribstuk met doperwtenpuree en venkelsa. De Reine Claudes kook ik met witte wijn en suiker, dat lijkt me mooi voor bij de semifreddo.
