Eindelijk was het zover. De collega’s van mijn vrouw zouden komen eten.

Een deel van me had dikke mannen in pakken verwacht: vet eten, dure wijn en sigaren. Alhoewel niemand sigaren rookte en niemand een man was, bleek de rest van mijn voorstelling aardig te kloppen. Na een schol met bloemkoolpuree, een venkel-saffraanrisotto en een flink stuk gebakken kabeljauw met beurre monté, kreeg ik ook de bordjes waarop mijn clafoutis van reine Claudes had gelegen schoon terug.

Mijn vrouw vond het al snel een geslaagde avond en kwam dan ook steeds de keuken in om me te vertellen wat een geluk ze toch had met mij als man. Haar collega’s, vertelde ze licht aangeschoten, vonden alles héérlijk en waren erg onder de indruk van ons huis. Ze liep me voor de voeten en het liefst had ik haar meteen weggestuurd, maar met onze open keuken was dat lastig.

Toen iedereen vertrokken was en ik de laatste kopjes afwaste (de collega’s hadden nog hun verbazing geuit over het ontbreken van een afwasmachine), concludeerde mijn vrouw dat de avond een groot succes was geweest. Ik deed het licht uit in de eetkamer en volgde haar in stilte naar boven. Toen we in bed lagen vroeg ze of er misschien iets was en viel in slaap. Ik luisterde naar haar snurken en bedacht dat ik het haar ook niet kwalijk kon nemen dat niemand iets gezegd had over mijn nieuwe gympen, en dat haar baas een heel mooie bos bloemen voor me had meegenomen.