Het was kwart voor acht ‘s avonds, mijn vrouw en ik waren voor het eerst in Venetië en we hadden honger. Terwijl we met onze koffers op weg waren naar ons huisje stak ik mijn hoofd door de deuropening van een winkel om te vragen tot hoe laat ze open waren. Een besnorde vijftiger keek op de klok boven zijn toonbank en zei: ‘Nog vijftien minuten precies’. We brachten onze bagage weg en tien minuten later stonden we voor de vitrine van Gabriele Bianchi.

Gabriele bleek een telg uit een oude Venetiaanse kaaskopersfamilie en had een uitstekende selectie lokaal lekkers waar ik me meteen aan te buiten ging. Terug in ons huisje vergaten we onze koffers uit te pakken. Kreunend aten we zijn kazen, zijn lardo, olijven en verse salami. Daarna kwam ik elke dag in het winkeltje. Gabriele vroeg wat ik voor lunch of avondeten wilde maken en deed suggesties; zo leerde ik wie de beste visboer was en op welke dagen je vlees moest halen bij de slagerij verderop. Gabriele stelde ons voor aan zijn vrouw en dochter, en nam ons mee op schelpjesjacht op het Lido.

Mijn vrouw en ik gingen steeds vaker naar Venetië, en toen ik een paar jaar geleden voelde dat ik klaar was om examen te doen nodigde ik mijn vriend uit voor de lunch. Ik maakte zeven typisch Venetiaanse gerechten voor hem en slaagde cum laude. ‘Erg goed’, zei hij, ‘maar waarom zat er citroenzest op de rauwe zeebaars? Je weet toch dat we daar hooguit het sap voor gebruiken?’

Een van mijn favoriete spelletjes voor als ik niet kan slapen heet Mijn Favoriete Straat. Mijn vrienden in binnen- en buitenland wonen er, mijn inmiddels overleden tante Fien zit op een bankje voor haar deur en een aantal geliefde restaurants zijn er dag en nacht open. Op nummer 1561 zit sinds jaar en dag de winkel van Gabriele Bianchi.