Laat ik beginnen te zeggen dat mijn vrouw de stoerste eter is die ik ken. Ze eet schapenballen, nieren, hersenen, is gek op lever en – mits ze flinke trek heeft – gaat een bakkie pens er ook prima in. Het liefst met boontjes, zoals ze het in Siena doen.

Nu heb ik wel eens gehoord dat je in alle mooie vrouwen ook nog het meisje moet kunnen zien dat ze ooit zijn geweest. Ik ben het daarmee eens, en mijn vrouw – die heel erg mooi is – is daarop geen uitzondering. Zo zie ik dat meisje heel duidelijk als ze tegen onze hond praat, als ze aftelt onder de douche voordat ze de kraan uitdraait, en in haar grote liefde voor de gesuikerde spekkies van Hoepman. Het duidelijkste toont zich nog het iets oudere meisje in haar, dat zo om de paar maanden vraagt om gerechten als rigatoni met kerstomaatjes en gorgonzola, gnocchi met tomatensaus en penne al pesto. En rucola, heel veel rucola.

Met name penne al pesto maak ik met een beetje tegenzin. Niet dat ik erop neerkijk, maar het is een gerecht waarvan de bereiding – hier in Nederland – weinig vreugde met zich meebrengt. Te vaak ben je aangewezen op potjes kasbasilicum en uitgedroogde pijnboompitten van de Turkse super om de hoek. Om nog maar te zwijgen over de pecorino van de avondwinkel. Ach, en waarom zou ik het niet toegeven: het is nou niet het meest mannelijke gerecht.

Deze week was het weer zover en ik, die wel begrijp dat een verse moeder alle hulp kan gebruiken om het meisje in haar bij de les te houden, ging zonder morren aan de slag. Zoals zo vaak als je zonder morren je schouders ergens onder zet, leek het universum vanaf stap één mee te werken. Al bij de groentekraam begon ik te shinen: er waren bossen basilicum met van die grote donkergroene bladeren en kleine zakjes pijnboompitten, die eruit zagen alsof de eekhoorn ze net uit de dennenappel gegapt had. Bij Meeuwig op de Haarlemmerstraat hadden ze verse Siciliaanse olie en op mijn wandeling met Otis de hond kwam ik een taaie rucolastruik tegen, die de kouder wordende dagen getrotseerd had en zelfs nog een paar fraaie donkergroene uitlopers liet zien. Het universum had een goeie dag, en ik was de as waar het allemaal om draaide.

Die avond ging ik met mijn vijzeltje in de weer. Ik plukte de basilicum en stampte er op los. Toen kwamen de pitjes, waarvan ik een deel fijnmaalde en een deel wat grover hield, en uiteindelijk de kaas en olie. Het was niet vies. Het was notig en peperig (door de olie) en had bitter (de basilicum), maar ook zoet, vanwege de kaas. Toen de pasta bijna gaar was schepte ik hem uit de pan, en in een grote kom mengde ik alles dooreen. Een schepje pastawater erbij en klaar was mijn penne al pesto. Mijn vrouw kwam naar beneden. Met één hand in de box om onze zoon geamuseerd te houden en de andere om het handvat van haar vork maakte ze al aanstalten om toe te slaan.

‘Ho’, zei ik. ‘Wacht.’

De vork bleef, met een gespiesde penna eraan, halverwege haar mond hangen. Uit het vergiet in de keuken haalde ik een plukje van de rucola, dat ik op mijn meest foute Parijse oberwijze midden op haar pasta plakte.

‘Zo’, zei ik. ‘Meisjespasta.’

Het was tijd om zelf ook wat te eten, en het was – zoals mijn vriend kleine Tijs het altijd zegt – een lekker bordje. Het was zelfs zo lekker dat het niet per se voor meisjes hoefde te zijn.

‘Hey, Gil’, zei mijn vrouw. Toen ik opkeek zag ik dat ze was opgehouden met eten om me allebei haar duimen te laten zien. ‘Ik vind het machtig lekker, hoor.’

Ik knikte, omdat ik nooit zo goed weet wat ik moet met grote complimenten. En al kauwend bedacht ik dat het behagen van je vrouw toch ook erg mannelijk was.