
In deze tijden van gezinsuitbreiding laat ook ik, de beste huisvrouw ter wereld, steken vallen. De dagen na de geboorte van onze zoon, die trouwens een allemachtig zoet manneke is, deed ik mijn best om het mijn vrouw aan niets te laten ontbreken. Voor lunch en avondeten maakte ik haar favoriete gerechten, en dan vooral de dingen die ze zwangerschapstechnisch niet had mogen eten. Dag twee was een uitblinker, waarop ik als lunch zo’n driehonderd gram kalfslever op haar bordje legde, en in de avond een enorme rib eye, zo rood als de goede smaak het toeliet.
De liefde voor mijn vrouw is groots en onuitputtelijk, maar uiteindelijk werd me naast de slapeloze nachten vooral de das omgedaan door de zes rollen beschuit met muizen die ik had moeten smeren voor al het bezoek dat we kregen.
En zo kwam het dat ik me op dag acht over de openstaande koelkast boog, en in het flikkerende licht van het stervende 12-wattlampje helemaal niets te koken vond. De koelkastdeur kraakte vervaarlijk onder mijn gewicht en mijn ogen liepen vol, maar lieten geen tranen los vanwege de hardnekkige oogontsteking die ik als eerste vaderdagkado van mijn zoon had gekregen. Precies op dat moment werd er op onze voordeur geklopt.
Ik ramde de koelkast dicht en trok een pak muisjes uit de la voor dit zoveelste onaangekondigde bezoek, waarbij ik het lipje van het pak scheurde en een grindpad van blauwwitte kiezels over het aanrecht strooide. Vloekend stuiterde ik de trap af. Als dit weer zo’n stagiairegeflankeerde tuttebol van een van de honderden instanties was die je als verse ouder door je strot gepropt krijgt, dan zou ik haar die godvergeten UGGS laten opeten. Achter de gesloten deur telde ik tot tien, terwijl mijn zoon het boven, in het hol van mijn vrouw, alweer op een krijsen zette. Heel even wenste ik in mijn stiekemste binnenste binnen dat ik hem terug kon stoppen. Even maar, totdat alles weer op orde zou zijn en iedereen had kunnen slapen.
Het was de buurman. De buurman is klein van stuk, tegen de zestig en heeft een hele sleep kinderen. Als we elkaar tegenkomen dan tikt hij altijd zijn hoofd aan alsof hij zijn hoed voor me afneemt en legt daarna dezelfde hand op zijn kranige hardwerkende hart. Mijn buren zijn van Marokkaanse afkomst. Dat schijnt iets te met Luxaflex te maken te hebben, waardoor je nooit bij ze binnen kunt kijken, maar ik weet zeker dat het daarbinnen warm en gezellig is, en dat iedereen ontspannen kleding draagt.
De buurman gaf me een hand, die hij daarna op zijn hart wilde leggen, maar dat ging niet omdat hij op zijn andere arm, vlak voor zijn hart, een pakketje hield. Dat pakketje stopte hij in mijn handen, en daarna klopte hij er lichtjes op.
‘Voor het offerfeest’, zei hij. ‘Gefeliciteerd met uw baby.’
Maar het leek alsof hij heel iets anders zei. Het leek alsof hij zei: ‘Ik weet dat je je best doet, jongen. Hier is iets voor jou, omdat we allemaal wel eens hulp kunnen gebruiken. Als je niets van de mensen aan kunt nemen, dan heb je niets te geven.’
Terwijl ik nadacht over hoe het kon dat mijn buurman subliminaal Bordewijk aan me citeerde, moest hij weer verdwenen zijn. De straat was leeg en alleen het sluiten van zijn deur was nog te horen. De trap op lopend vroeg ik me af of ik hem wel bedankt had. In de keuken opende ik het pakketje, en precies op het moment dat ik een twaalftal prachtige lamskoteletten ontdekte, hield mijn zoontje op met janken.
Toen ik even later met mijn koteletten en geimproviseerde garnituur in het hol van de hongerige leeuwin aankwam, vielen haar manen me wat tegen. Haar hoofd leek me maar klein en moe, en het had een diepe kuil in het kussen gemaakt, waaruit het nauwelijks overeind kon komen.
‘Wat heb je daar?’, vroeg mijn vrouw, terwijl haar welp met wat nog het meest op agressie leek aan haar borst slurpte. Ik wachtte tot ze mijn zoon met een natte plop had losgekoppeld om ruimte te maken voor haar bordje. Toen ik het neerzette schoot ze vol.
‘Lamskoteletjes’, zei ze, haar ogen nog groter nu haar hoofd zo sterk gekrompen was. ‘Je weet ook altijd waar ik zin in heb.’
