Het eerste wat gebeurt als je een steenoven koopt is dat je vrienden vragen wanneer het pizza-avond is. Je legt natuurlijk uit dat een steenoven niet per se een pizza-oven hoeft te zijn, maar je uiteenzetting over de voordelen van stagnante hitte ketst af op de glazige ogen van een roedel jakhalzen. Die rechthoekige klep met dat langwerpige kijkraampje, weet de hijgende meute, daar komen pizza’s uit. Met knikkende knieën protesteer je dat je vierentwintig uur nodig hebt, omdat het deeg een dag moet liggen. ‘Dat is goed’, zeggen ze, ‘we zijn er morgen om zeven uur’. Als ze vertrokken zijn kneed je vloekend en zwetend twee kilo deeg.

De volgende dag moet je de hele stad door voor de juiste bliktomaat en mozzarella van Groningse buffel, om niet te beginnen over de toppings die je zogenaamde vrienden graag zien. Met een aanrecht vol kapperappels, droge worst, extreem dure ansjovissen en Montasiokaas haal je nog één keer je hand over de perfecte, koele steen onderin je nieuwe oven. Dan sluit je je ogen en zet de knop op 350 graden.

Om vijf uur staan ze al op de stoep, alsof ze bloed geroken hebben. Je hakt bliktomaat met oregano en zet de jakhalzen aan het werk met het plukken van de mozzarella. Dan is het niet langer uit te stellen. Zuchtend schuif je de eerste, zwaar beladen pizza op de steen, waar het te dunne deeg scheurt, de topping doorlekt en een enorme rookontwikkeling begint. Na drie minuten haal je, sissend vanwege een verse brandwond op je arm, een monster uit de oven.

‘Wat was er nou zo moeilijk?’ zeggen de jakhalzen, terwijl ze hun prooi aan stukken scheuren. Met je arm onder de kraan staar je naar de bodem van je oven, waar de gemorste kaas en tomaat tot een soort teer aan het inbranden zijn. ‘Niks’, zeg je, en draait de kraan dicht. ‘Helemaal niks. Wie wil er eentje met artisjokken?’