Om half negen vanochtend is mijn vrouw, na een rondje met de hond, naar haar werk vertrokken. Sindsdien ben ik bezig met een verhaal dat niet zo wil. Mijn hoofdpersoon is een Nederlands meisje dat in de jaren vijftig op de Surinaamse plantage van haar zus en zwager wordt ondergebracht omdat de omstandigheden in Nederland (vader was fout in de oorlog) haar leven onmogelijk maken. Achter me op het fornuis borrelt een pan coda alla vaccinara.

Coda alla vaccinara is gestoofde ossenstaart. Terwijl ik tik leidt de geur me, samen met de zoete ui en selderij die erbij horen, steeds meer af. Het is tegen twaalven, ziet u: bijna tijd voor ‘een hapje van het één en ander’ zoals Winnie de Poeh het toepasselijk zei. Ook de hond begint onrustig te worden.

Ik sta op, til het deksel van de pan en tuur erin. Met de punt van mijn wijsvinger duw ik op het vlees. Het zit nog muurvast aan de wervel. Een diepe zucht ontsnapt me: het zal een gebakken ei moeten worden. Terwijl mijn lunch spluttert in de pan denk ik aan de film Big Night; de beroemde scène waarin kok Primo voor ober (en broer) Seco een ei bakt. Het ei stond daar symbool voor het behoud van de broederschap, die zwaar op de proef werd gesteld door het falende restaurant van de twee. Olijfolie in de pan, ei erbij, zout erop en janken maar.

Vanochtend was ik in de jaren ’50: van Suriname, via mijn ossenstaart en een gebakken ei naar een gelijmde familieband aan de Amerikaanse Jersey Shore. Ik was mijn bord af, zet het in het afdruiprek en bedenk dat ik het mooiste werk ter wereld heb.