
Ik kan me voorstellen dat het u gaat tegenstaan, zo’n column over de liefde. Kijk ons gelukkig zijn, en jong, en knap. Misschien gelooft u mijn verhaaltjes niet, en u bent bent niet de enige. Zo vindt mijn vrouw dat ik haar personage te sterk aanzet, ze zou volwassener en minder burgerlijk zijn dan ik haar maak. Met name in De bank ergert ze zich hieraan. ‘Dat van dat huiselijk, dat heb ik nooit gezegd’, klaagt ze met haar knuistjes in haar zij. ‘En ik sta helemaal niet met mijn knuistjes in mijn zij.’
Toch lieg ik niet. Als schrijver moet je geloven in de dingen die je opschrijft. Een grote hulp hierbij is mijn geheugen, dat me al op jonge leeftijd in de steek begon te laten en geleidelijk ruimte maakte voor verhalen. Zo leef ik steeds minder in de werkelijkheid waar mensen zoals mijn vrouw het over eens zijn, en op dit moment schrijf ik zelfs vijf dagen per week een column die zo geloofwaardig is dat hij naadloos in herinnering overgaat.
Het personage van mijn vrouw is een collage van haar mooiste momenten. Er kunnen samentrekkingen in de tijd plaatsvinden waardoor een opmerking of een blik van lang geleden opduikt in een gesprekje vorige week, maar alles wat hier staat is haar getrouw en daarom waar gebeurd. Al was het maar omdat ik inmiddels niet beter meer weet.
